Het Nederlandse voetbal heeft zich verkeken op zijn eigen koers. Die conclusie trekt columnist Sjoerd Mossou (Algemeen Dagblad) op basis van een uitgebreid onderzoek van Harvard-onderzoeker Matt Andrews. Zijn analyse, deze week gepresenteerd in Wageningen, schetst een helder beeld: de topclubs in de Eredivisie zijn te rijk, te bevoorrecht en te machtig in verhouding tot de rest. Dat ondermijnt de competitie als geheel en werkt door in Europa.
Onderzoek legt pijnpunt bloot
Andrews kwam met een lijvig pakket aan data, grafieken en vergelijkingen tussen Europese competities. De boodschap is niet subtiel: in Nederland is de machts- en geldconcentratie bij de top uitzonderlijk scherp. Waar in andere landen de verschillen binnen de nationale competitie enigszins worden gedempt, lopen de verhoudingen in de Eredivisie juist verder uiteen. Volgens het onderzoek is dat geen incident of tijdelijk effect, maar het gevolg van jarenlang beleid.
Mossou neemt die uitkomsten over en plaatst ze in de context van het huidige seizoen. Hij wijst op een voorspelbare competitie, een verschraling in de middenmoot en clubs onderin die structureel achter de feiten aanlopen. Het algemene niveau lijdt daaronder. En als het gemiddelde zakt, dan neemt ook de weerbaarheid van Nederlandse teams op het Europese toneel af.
Te grote kloof tussen top en rest
De kern van het probleem is de kloof. De rijkste clubs profiteren van grotere sponsorinkomsten, hogere recettes, meer mediabereik en vooral van de Europese inkomsten. Ze bouwen daar bovenop een voorsprong op sportief vlak: betere spelers, bredere selecties en meer middelen voor staf en faciliteiten. Voor clubs in de middenmoot en de onderste regionen blijft er vooral de rol van figurant over. Om het gat te dichten, worden zij vaak afhankelijk van incidentele transfers, huurdeals of een zeldzaam meevallend seizoen. Structureel schiet het niet op.
Het gevolg is een Eredivisie die te vaak volgens verwachting verloopt. Verrassingen komen minder voor, kampioensraces en degradatiestrijden raken vroeg in het seizoen al in een groef. Voor neutrale kijkers neemt de spanning af. Voor spelers en trainers in het ‘brede midden’ ebt de prikkel weg om te investeren als de kans op echte doorbraak minimaal blijft. En voor sponsors wordt het lastiger om waarde te zien buiten de paar grootste merken.
Europese prestaties als waarschuwing
De mindere Europese resultaten van Nederlandse clubs in dit seizoen passen, aldus het onderzoek, in dat patroon. Als je competitie elk weekend minder weerstand biedt aan de subtop en het midden, missen die teams de intensiteit en scherpte die in Europa noodzakelijk zijn. Tegelijkertijd halen de rijkste clubs het gros van de punten en inkomsten op, waardoor zij nationaal nog dominanter worden. Het is een vicieuze cirkel: voorspelbaarheid binnen de landsgrenzen leidt niet tot betere prestaties daarbuiten, maar juist tot vervlakking.
Daarmee komt ook de UEFA-coëfficiënt onder druk te staan. Minder punten betekent mogelijk minder Europese tickets of zwaardere voorrondes. Dat treft vervolgens juist de clubs onder en in de subtop, die elke extra hindernis voelen in hun voorbereiding en begroting. Uiteindelijk wordt het hele ecosysteem kwetsbaarder.
Het heersende dogma onder vuur
Volgens Mossou en Andrews is de huidige situatie geen toeval, maar het logische resultaat van een jarenlang gekoesterde gedachte: maak de top zo sterk mogelijk, dan plukt het hele voetbal daar de vruchten van. Jarenlang gold in Nederland het idee dat het nationale belang gebaat was bij een zo machtig mogelijke top, belichaamd door vooral Ajax en PSV. De rest zou vanzelf mee liften. In de praktijk is dat niet gebeurd. De top werd wel rijker, maar het algemene niveau bleef achter, met een uitgeholde middenmoot en onderkant als bijeffect.
Versterk de middenmoot en onderkant
Het onderzoek draait die redenering om: als je de Eredivisie als geheel sterker wilt maken, versterk dan vooral de laag onder de top. Clubs als Excelsior, FC Groningen en NAC Breda worden door Mossou expliciet genoemd als voorbeelden van teams die vrijwel permanent te weinig armslag hebben. De beperkte solidariteitsstromen, zoals kleine percentages uit Europese inkomsten, zijn volgens Andrews cosmetisch. Geen echte herverdeling, maar een fooi die het structurele probleem niet aanpakt.
Het idee is niet om de top te verzwakken, maar om de basis te verbreden. Meer clubs met gezonde begrotingen, betere opleidingsfaciliteiten, grotere technische staf en ruimte om talent vast te houden, zorgen voor zwaardere weekenden voor élke ploeg. Dat tilt het gemiddelde op en maakt de competitie aantrekkelijker en onvoorspelbaarder. En juist die intensiteit helpt clubs vervolgens in Europa.
Wat kan er concreet veranderen?
De discussie over oplossingen is breder dan één maatregel. Mogelijke richtingen die in het debat vaak terugkeren:
- Een eerlijkere verdeling van tv-gelden, met een groter vast deel voor alle clubs en een beperkter variabel deel op basis van prestaties.
- Een structurele herverdeling van Europese inkomsten binnen de competitie, zodat niet alleen de deelnemers profiteren maar het algemene niveau stijgt.
- Heldere kaders rond selectieomvang en huurconstructies, om te voorkomen dat talenten massaal worden geparkeerd en de concurrentie scheef raakt.
- Gerichte investeringen in jeugdopleiding, data en medische begeleiding bij clubs buiten de top, zodat achterstanden in kennis en faciliteiten kleiner worden.
- Langjarige financiële afspraken binnen de Eredivisie en KNVB die stabiliteit bieden en paniekaankopen of gokbeleid verminderen.
Welke mix ook wordt gekozen, de kern blijft hetzelfde: zonder een steviger middenklasse en een levensvatbare onderkant blijft de Eredivisie voorspelbaar en kwetsbaar.
Weerstand en haalbaarheid
Zulke ingrepen roepen onvermijdelijk weerstand op. Topclubs vrezen dat zij Europees terrein verliezen als nationale inkomsten breder worden gedeeld. Bestuurders zullen wijzen op eigen investeringen, risico’s en internationale concurrentie. Tegelijk is de vraag of het huidige pad wel toekomst biedt. Als de competitie verder verschraalt en de Europese prestaties blijven dalen, komt ook het verdienmodel van de grootste clubs onder druk te staan. Sponsoren, media en fans haken af bij een voorspelbaar product.
Een hervorming vraagt dus om een gezamenlijk besluit. Eredivisie CV, KNVB, clubs en rechtenhouders zullen heldere doelen moeten afspreken: een competitie die sportief spannend is, financieel stabiel en Europees weerbaar. Dat lukt alleen met langdurige afspraken waarin iedereen iets geeft en uiteindelijk ook wint.
Conclusie en vooruitblik
De analyse van Andrews, onderstreept door Mossou, zet het Nederlandse voetbal voor een duidelijke keuze. De focus op het optuigen van de top heeft de league niet sterker gemaakt, maar juist breekbaar. Als Nederland Europees weer mee wil doen en een aantrekkelijk, eerlijk competitieproduct wil bieden, moet de basis breder en steviger. Dat betekent meer dan symbolische solidariteit. Het vraagt om structurele herverdeling, slimme regels en gerichte investeringen buiten de top.
De bal ligt nu bij de bestuurstafels. Een koerswijziging lijkt onvermijdelijk als het tij moet keren. Hoe sneller de Eredivisie die stap zet, hoe groter de kans dat de competitie haar glans terugwint en Nederlandse clubs in Europa weer met vertrouwen en succes voor de dag komen.









