De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen die stelt dat banden met Islamitische Staat (IS) nooit als reden voor asiel mogen gelden. De motie is ingediend door de SGP en kreeg een ruime meerderheid: 114 stemmen voor en 36 tegen. Aanleiding is Europese richtlijninformatie over Syrië, waarin staat dat mensen met vermeende banden met IS het risico lopen om vervolgd te worden in hun thuisland. Volgens de initiatiefnemers zorgt die passage voor verwarring en kan die verkeerd worden uitgelegd bij asielbeoordelingen.
Achtergrond
In de EU worden zogeheten Country Guidance-documenten gebruikt. Dat zijn handreikingen die lidstaten helpen om asielaanvragen uit specifieke landen op een eenduidige manier te beoordelen. Voor Syrië staat daar onder meer in dat personen met vermeende of feitelijke banden met IS gevaar kunnen lopen op vervolging. Dat is relevant, omdat het asielrecht bescherming biedt aan mensen die gegronde vrees voor vervolging hebben.
Tegelijkertijd geldt in Nederland en de EU dat mensen die ernstige misdrijven hebben gepleegd, of daarvan sterke aanwijzingen bestaan, kunnen worden uitgesloten van bescherming. Dat volgt uit het Vluchtelingenverdrag (artikel 1F) en uit Europese regels. In de praktijk toetst de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) elk dossier afzonderlijk, kijkt naar bewijs en signalen, en kan iemand uitsluiten als er betrokkenheid is bij oorlogsmisdaden, terrorisme of andere zware feiten.
De motie en de stemming
De SGP-motie verzoekt het kabinet om de EU-handreiking op dit punt niet leidend te laten zijn bij de Nederlandse beoordeling en om in EU-verband te pleiten voor schrapping van de passage over vermeende IS-banden als grond voor vervolgingsrisico. Het doel: duidelijk maken dat mogelijke of vermeende banden met IS op zichzelf geen reden voor asiel mogen zijn, en dat de zogeheten uitsluitingsgronden strikt moeten worden toegepast.
De motie is aangenomen met brede steun van onder meer PVV, VVD, BBB, CDA, FVD, JA21, SGP en GroenLinks-PvdA. Tegen stemden D66, Volt, SP, Partij voor de Dieren en DENK. Met 114 stemmen voor en 36 tegen is het signaal van de Kamer helder: Nederland wil dat er geen misverstanden ontstaan over hoe aanvragen van mensen met vermeende terroristische banden worden beoordeeld.
Waarom deze discussie nu speelt
De oorlog in Syrië en de nalatenschap van IS zorgen al jaren voor complexe asielzaken. Aan de ene kant zijn er mensen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben. Aan de andere kant zijn er personen die mogelijk betrokken waren bij gewelddadige organisaties of ernstige misdrijven. Die tweedeling vraagt om zorgvuldige, individuele toetsing met stevige waarborgen, zowel voor de veiligheid in Nederland als voor het respecteren van internationale verplichtingen, zoals het verbod op uitzetting naar foltering of onmenselijke behandeling.
Argumenten van voor- en tegenstanders
Voorstanders van de motie vinden dat er geen enkele onduidelijkheid mag bestaan: wie banden heeft met IS, hoort niet voor asiel in aanmerking te komen. Zij vrezen dat de EU-handreiking anders geïnterpreteerd kan worden, waardoor mensen met dubieuze achtergronden alsnog bescherming claimen. Volgens hen moet Nederland duidelijk en streng blijven, met nadruk op veiligheid en op de bestaande uitsluitingsgronden.
Tegenstanders wijzen erop dat elke zaak individueel beoordeeld moet worden en dat “vermeende” banden iets anders zijn dan bewezen betrokkenheid. Zij benadrukken dat rechtsstatelijke waarborgen en internationale mensenrechtenverplichtingen altijd voorop moeten staan. Ook stellen zij dat EU-richtlijnen bedoeld zijn om onderscheid te maken tussen daadwerkelijke daders en mensen die onterecht worden verdacht of onder druk kwamen te staan, en dat nuancering in die documenten belangrijk blijft.
Wat verandert er met deze motie?
Een motie is een politiek verzoek aan het kabinet en geen wetswijziging. In de dagelijkse praktijk blijft de IND elk asielverzoek afzonderlijk beoordelen op basis van wet- en regelgeving, inclusief de uitsluitingsgronden. Wel vraagt de Kamer het kabinet om de omstreden passage uit de EU-handreiking te laten wegen als niet-bepalend voor de Nederlandse praktijk, en om in Brussel te pleiten voor aanpassing van de tekst. Het kabinet moet nu reageren en aangeven hoe het dit gaat uitvoeren.
Concreet betekent dit dat Nederland in Europees overleg zal aangeven dat een verwijzing naar vermeende banden met IS niet mag worden uitgelegd als asielgrond op zichzelf. De focus blijft liggen op bewijs, individuele beoordeling en toepassing van de uitsluitingsgronden als er sterke aanwijzingen zijn voor betrokkenheid bij ernstige misdrijven.
Gevolgen voor beleid en uitvoering
Voor de IND en andere betrokken diensten verandert de kern van het werk niet: het verzamelen en wegen van informatie, het toetsen van verklaringen en het toepassen van wet- en regelgeving. Wel kan een verduidelijkte EU-tekst later helpen om interpretatieverschillen tussen lidstaten te verkleinen en procedures te versnellen, vooral in complexe dossiers.
Op langere termijn kan het Nederlandse standpunt invloed hebben op de volgende versie van de EU Country Guidance voor Syrië. Dat soort documenten wordt periodiek bijgewerkt op basis van nieuwe informatie en politieke afspraken tussen lidstaten. De exacte timing daarvan is meestal afhankelijk van ontwikkelingen in het land van herkomst en in het Europese asielbeleid.
Reacties en vervolg
Nu de motie is aangenomen, ligt de bal bij het kabinet om met een reactie te komen. Daarbij zal het kabinet moeten uitleggen hoe Nederland binnen het bestaande juridische kader blijft opereren, en tegelijk zal het een inzet formuleren richting de EU om de tekst aan te passen. Intussen blijft het van belang dat strafbaar gedrag wordt vervolgd waar dat kan, en dat de asielprocedure scherp blijft op signalen van betrokkenheid bij terrorisme of oorlogsmisdaden.
Kern
De Tweede Kamer wil duidelijkheid: vermeende banden met IS mogen nooit als asielgrond worden gezien. Met een ruime meerderheid schaarde de Kamer zich achter de SGP-motie die het kabinet oproept om die lijn nationaal te hanteren en Europees uit te dragen. De uitvoering blijft gestoeld op individuele beoordeling en de bestaande uitsluitingsgronden. Het vervolg speelt zich af in Den Haag en in Brussel, waar Nederland zal pleiten voor een scherper geformuleerde handreiking die misverstanden voorkomt.
De komende maanden wordt duidelijk welke stappen het kabinet zet en of de Europese tekst wordt aangepast. Tot die tijd verandert er in de dagelijkse praktijk weinig, maar het politieke signaal is helder: strikte toepassing van de regels, met oog voor veiligheid én voor de rechtsstaat.








