De onrust in de landbouw over het stikstofbeleid heeft Friesland bereikt. Milieuorganisaties hebben de provincie gevraagd om de natuurvergunning van vijf veehouderijen in te trekken. Dat meldt de Leeuwarder Courant. Het gaat om bedrijven die hun vergunning wel op orde hebben.
Daarmee krijgt het stikstofdossier een nieuwe lading. Niet de bekende groep melders staat centraal, maar ondernemers met een definitieve toestemming. In Noord-Brabant leidde een vergelijkbare juridische strijd al tot voorbereidingen om vergunningen van vijf veehouderijen in te trekken.
Verzoeken bereiken nu ook Friese bedrijven
In Friesland gaat het om vijf veehouderijen in of rond kwetsbare natuurgebieden. Voor die bedrijven zijn verzoeken tot intrekking ingediend. De twee meest recente verzoeken dateren volgens de Leeuwarder Courant van maart van dit jaar.
Opvallend is het profiel van deze ondernemers. Zij beschikken over een definitieve natuurvergunning. Het betreft dus niet de PAS-melders, die na een rechterlijke uitspraak juist zonder toereikende papieren bleken te zitten en daardoor in de problemen kwamen.
Wat een definitieve vergunning wel en niet garandeert
Een afgeronde procedure biedt houvast, maar geen garantie voor altijd. Gaat een beschermd Natura 2000-gebied achteruit, dan kan de overheid onder omstandigheden gedwongen worden om een bestaande vergunning opnieuw te bekijken.
Die mogelijkheid stond lange tijd op de achtergrond in het stikstofdebat. Door de gang van zaken in Noord-Brabant is zij plotseling zeer concreet geworden, ook voor ondernemers die dachten dat hun dossier gesloten was.
De Brabantse zaak als vertrekpunt
Mobilisation for the Environment (MOB) en Vereniging Leefmilieu vroegen de provincie Noord-Brabant om in te grijpen bij veehouderijen die volgens hen te veel stikstof laten neerslaan op kwetsbare natuur. De provincie wees die verzoeken aanvankelijk af.
Daarmee was de kwestie niet voorbij. De zaak belandde bij de rechtbank Oost-Brabant. Die zette in april 2025 een streep door de afwijzing en verplichtte de provincie tot een inhoudelijke vervolgstap.
Rechtbank dwong de provincie tot keuzes
De rechtbank liet Brabant twee wegen open: passende maatregelen treffen, of aantonen dat andere concrete maatregelen binnen een jaar zouden zorgen voor een blijvende en forse daling van de stikstofneerslag op de natuur.
Volgens de provincie kwam die tweede route niet van de grond. Daarmee bleef ingrijpen bij individuele bedrijven over als manier om alsnog aan de uitspraak van de rechter te voldoen.
Voornemen tot intrekking van vijf vergunningen
Op 17 juli maakte Noord-Brabant bekend van plan te zijn de natuurvergunningen van vijf veehouderijen bij kwetsbare Natura 2000-gebieden in te trekken. De intrekkingsprocedure moet uiterlijk op 1 oktober van start gaan.
Het gaat dus nog om een voornemen, dat in een formele procedure verder moet worden uitgewerkt. Toch is de stap ingrijpend, omdat het bedrijven raakt die beschikken over een rechtsgeldige en definitief geworden vergunning.
Ruimte voor vijftien procent blijft over
Volgens het Brabantse voornemen mogen de betrokken bedrijven maximaal 15 procent van hun emissieruimte behouden. Die resterende ruimte is uitdrukkelijk bedoeld voor activiteiten waarbij geen landbouwhuisdieren worden gehouden.
Voor veehouders betekent dat dat juist het houden van dieren op de betrokken locaties wordt geraakt. Wat ondernemers daarna nog met hun bedrijf kunnen doen, blijkt niet uit de nu bekende informatie.
Waarom deze groep anders ligt dan de PAS-melders
Onder het vroegere Programma Aanpak Stikstof konden bedrijven in bepaalde gevallen volstaan met een melding. Nadat de rechter een streep zette door het PAS, bleken veel van die bedrijven alsnog een volledige natuurvergunning nodig te hebben.
Bij die groep ging het dus om ontbrekende papieren. De vijf Friese bedrijven zitten in een andere positie. Zij hebben precies datgene waar het bij de melders aan schortte: een definitieve natuurvergunning.
De kern van de juridische vraag
De vraag die nu voorligt is daarom van een andere orde. Kan een overheid een rechtsgeldige en definitief geworden vergunning alsnog beperken of intrekken, omdat bescherming van de natuur dat noodzakelijk maakt?
Het antwoord raakt niet alleen de vijf Brabantse en vijf Friese bedrijven. Het bepaalt ook hoe zwaar een eenmaal afgegeven vergunning weegt zodra de toestand van beschermde natuurgebieden onder druk komt te staan.
LTO-voorzitter zit zelf in een van de zaken
Friese LTO-voorzitter Jan Teakema is een van de ondernemers tegen wie een verzoek is gericht. Bij de Leeuwarder Courant zegt hij dat een boer in zo’n situatie “feitelijk klem” zit.
Zijn bezwaar gaat over rechtszekerheid. Wie net vertrouwen begint te krijgen in de vergunning die hij bezit, wordt volgens hem opnieuw onzeker over de basis waarop het bedrijf wordt gevoerd.
BBB-Statenlid vreest stilstand bij investeringen
Ook BBB-Statenlid Dieuwke Bakker is bij een van de zaken betrokken. Zij reageert geschrokken. Investeren wordt voor boeren volgens haar bijzonder moeilijk wanneer ook een bestaande vergunning geen zekerheid meer biedt.
Investeringsbeslissingen in de veehouderij hangen samen met de ruimte die een vergunning biedt. Valt die zekerheid weg, dan verandert de basis waarop ondernemers zulke keuzes voor de langere termijn maken.
Zelfde kritiek klonk vorige maand in Brabant
In Noord-Brabant stelde LTO-voorzitter Ger Koopmans vorige maand dat het intrekken van rechtsgeldige vergunningen de rechtszekerheid aantast. Die kritiek loopt vrijwel parallel aan de reacties die nu uit Friesland komen.
De provincie Brabant wijst op haar eigen positie in dit dossier. Zij benadrukt dat zij een rechterlijke uitspraak moet uitvoeren en daarbij binnen de geldende wettelijke kaders gebonden is.
MOB richt zich bewust op legale vergunningen
MOB-voorman Johan Vollenbroek ziet het anders. Zijn organisatie erkent dat zij zich nu op bedrijven met legale natuurvergunningen richt. Volgens hem zijn sommige van die vergunningen echter op verkeerde gronden verleend.
Hij spreekt over vergunningen “die nooit afgegeven hadden mogen worden omdat ze tot een veel te hoge stikstofneerslag leiden op natuurgebieden”. Daarmee legt hij de nadruk op de verlening zelf, niet op het bedrijf.
Plicht tot ingrijpen bij aantoonbare verslechtering
Treedt door zulke vergunningen aantoonbaar verslechtering van de natuur op, dan heeft de overheid volgens Vollenbroek uiteindelijk ook de plicht om bestaande vergunningen in te trekken. Vrijblijvend is die situatie in zijn ogen niet.
Daarmee ligt het accent bij hem op de verplichting van het bestuur, en bij de boerenorganisaties op de positie van de vergunninghouder. Precies op dat punt lopen de opvattingen in dit dossier uiteen.
In Friesland is nog niets besloten
Voor de vijf Friese bedrijven is de uitkomst nog open. Er liggen verzoeken om de vergunningen in te trekken. De provincie heeft die vergunningen niet daadwerkelijk ingetrokken.
Hoe Friesland uiteindelijk op de verzoeken reageert, blijkt niet uit de beschikbare informatie. Wel is duidelijk dat de Brabantse gang van zaken het juridische kader waarin die afweging wordt gemaakt heeft veranderd.
Wat er op langere termijn op het spel staat
De inzet reikt verder dan deze bedrijven alleen. Krijgt de Brabantse lijn elders navolging, dan verschuift de stikstofstrijd naar ondernemers die jarenlang dachten hun papieren juist wel op orde te hebben.
Voor de sector is dat een wezenlijk verschil. Het dossier gaat dan niet langer vooral over ontbrekende vergunningen, maar over de houdbaarheid van vergunningen die door de overheid al zijn verleend.








